Een afwerkvorm voor opbouwen via de nummer tien in een 4-2-1-3, gevolgd door een diepteloop van de buitenspeler en afwerking door een scoringspoort.
Wat train je?
Spelers leren vanuit de keeper door het centrum opbouwen, de derde man gebruiken en na een voorwaartse loopactie gericht afwerken.
Zo zet je de oefening neer
Gebruik een veld van 40 bij 32 meter. Zet aan de overkant twee scoringspoorten van 3 meter breed. Verdeel de spelers over een keeper, twee centrale verdedigers, twee zessen, een nummer tien, twee buitenspelers en twee spitsen. Werk afwisselend over links en rechts.
Zo werkt de oefening
- De keeper speelt één van de centrale verdedigers in.
- De centrale verdediger speelt naar de dichtstbijzijnde zes.
- De zes kaatst op de nummer tien, terwijl de buitenspeler diep gaat.
- De nummer tien speelt de buitenspeler in de loop aan.
- De buitenspeler speelt laag terug op de spits, die gericht door de dichtstbijzijnde scoringspoort passt.
- Na de afwerking starten de spelers direct aan de andere kant en draaien zij per twee acties door.
Hier let je op
- Speel de eerste passes met hoge balsnelheid en naar de juiste voet.
- De nummer tien staat open en kijkt vóór de kaats naar voren.
- De buitenspeler start de diepteloop pas wanneer de zes wordt aangespeeld.
- De spits maakt eerst ruimte en komt daarna in de bal.
- Plaats de afwerking beheerst door de scoringspoort.
Maak de scoringspoorten vier meter breed en laat de nummer tien vrij aannemen.
Laat de tweede spits na de pass van de nummer tien actief verdedigen en maak de scoringspoorten twee meter breed.
Vergelijkbare oefeningen
Gebaseerd op categorie, leeftijd, niveau en spelersaantal.